Techniek & oefeningen.

The Overhand Serve Toss
Bewegingsvoorstelling
De negen belangrijkste stappen bij de techniekuitvoering zijn hieronder beschreven
  1. uitgangshouding:
    - linkervoet voor (rechtshandige)
    - rechtervoet achter (iets schuin)
  2. bal op open linkerhand op de vingertoppen vasthouden (balgevoel creëren)
  3. bal in juiste stand brengen
    - bal op de hand in de juiste stand voor de opgooi bewegen
  4. - kijken naar de plaats waar je naar toe wilt serveren
    - voorste voet plaatsen in de richting waar je naar toe wilt serveren
  5. de rechterarm gestrekt achterwaarts – zover naar achter bewegen tot er weerstand komt van het schoudergewricht
  6. - de rechterarm van achter het lichaam naar voren bewegen
    - de linkerhand gooit de bal een klein stukje omhoog, vlak voordat de rechterarm de bal raakt
    - gewichtsoverdracht van rechter- naar linkerbeen
  7. raken van de bal:
    - met open hand (vingers tegen elkaar of los van elkaar)
    - met gesloten hand (platte vuist, zie afbeelding)
  8. zo spoedig mogelijk de verdedigingspositie innemen
Coaching Points: Speelhouding / opgooi
· Bal zonder rotatie opgooien naar raakpunt of iets erboven
· Raakpunt ligt boven rechterschouder, boven en voor het hoofd
· Slagarm naar achteren brengen / elleboog gebogen / hand bij het oor
· Vingers van de slagarm wijzen in de richting van de bal
Balcontact
· Overbrengen van het lichaamsgewicht naar voorste voet / linkervoet een kleine stap voorwaarts
· Slaghand omhoog en naar voren brengen / pols fixeren
· Elleboog licht gebogen bij contact
· Bal in het midden raken (geen rotatie)
· Bal contact zo kort mogelijk (karateslag)
· Op het moment van raken lichaamzwaartepunt precies tussen de twee voeten
Vervolg actie
· Geen doorzwaai van slagarm eerder terugtrekken van arm.
 
 
Per tweetal 1 bal.
 De speler met bal serveert zo dat zijn partner de bal kan vangen
 Gaat dit 3 keer achterelkaar goed dan kan de serveerder steeds dichter bij de achterlijn gaan serveren

Na verloop van tijd wisselen van bal en functie.

Coaching Points:
 Controleer opgooi en verplaatsing van het lichaamszwaartepunt
 Let op spanning in de hand als bij het geven van een "high five"
 
Nummers 1 en 2 serveren en mikken op een doel.
Overige spelers zorgen voor aanvoer van de ballen
 Tel hoe vaak je een doel raakt in 10 pogingen
 Welke speler raakt het eerst 3 van de 4 doelen ?

Coaching Points:
 De serveerder kijkt eerst naar het doel en concentreert zich daar een moment op
 De voorste voet moet in de speelrichting wijzen
 
Serveerders 1 en 2 serveren elk 5 ballen
Spelers 3 en 4 passen de bal naar speler 5, deze vangt af en rolt de bal terug
 Serveer naar de open plekken in het veld, maak het de passers moeilijk

Coaching Points:
 Kijk eerst naar de plek waar je wilt gaan serveren en concentreer je daar op.
 
Voorbereiding bovenhands spelen.
Opbouwschema
Het aanleren van techniek moet systematisch gebeuren. Onderstaand is een opbouwschema weergegeven, zoals dat binnen de NeVoBo wordt gebruikt.
BAL OPGOOIEN
|
|
|
BAL RAKEN
|
|
|
SERVE OVER KORTE AFSTAND
|
|
|
AFSTAND VERGROTEN
|
|
|
ZONDER FOUTEN SERVEREN
|
|
|
GEPLAATST SERVEREN
|
|
|
Serveren

 
 
 
 
 
 

Bewegingsvoorstelling

 
De negen belangrijkste stappen bij de techniekuitvoering zijn hieronder beschreven
  1. uitgangshouding:
    - linkervoet voor (rechtshandige)
    - rechtervoet voor (linkshandige)
  2. (voor rechtshandige) bal op open linkerhand op de vingertoppen vasthouden (balgevoel creëren)
  3. bal in juiste stand brengen (plaats van het ventiel) - bal op de hand laten balanceren
  4. kijken naar de plaats waar je naar toe wilt serveren
  5. slaghand op spanning brengen:
    - duim naar beneden
    vingers in de richting van de tegenstander
  6. bal met de linkerhand vanaf schouderhoogte, zonder rotatie naar de slagarm omhoog gooien
  7. bal met vlakke gespannen hand in het midden raken
  8. armbeweging stopt zo kort mogelijk na het raken van de bal (voorkomt rotatie)
  9. zo spoedig mogelijk de verdedigingspositie innemen.

 

The Overhand Serve TossSlagtechniek ( ook service )
Organisatie: 2-tallen een bal. Werk afwisselend.

Opdracht:
- gooi de bal met een onderhandse worp op en vang de bal boven je hoofd. Je ziet de onderkant van de bal !
- idem ipv vangen de bal bovenhands opspelen en dan vangen. Loop snel onder de bal.
- idem maar meerdere keren opspelen (max.4 keer)

Techniek bovenhands spelen:
-Voeten in schredenstand
-Lichaam in heupen en knieën licht gebogen
-Handen boven het hoofd en vormen zich naar de bal (kommetje)
-Duimen wijzen naar elkaar, vingers zijn veerkrachtig en soepel.
"dode vissen''
  • Verdeel je team in gelijke groepen.
  • Beide teams gaan serveren (let op concentratie)
  • Bij servicefout moet speler in het veld van de tegenstander gaan liggen
  • deze "dode vissen'' kunnen weer terug als ze zijn geraakt door hun teamgenoten
  • team waarvan de meeste staan, na gestelde tijd, wint.
    Evt. winnende team bepaald straf voor andere team (vooraf)
Sprongserve
  • Ga op ± 2 à 3 meter achter de achterlijn staan
  • Leg de bal op de slaghand (uiteraard niet op de rug van de hand)
  • Werp de bal op, met een voorwaartse rotatie (topspin), hoe meer rotatie, hoe beter
  • Maak een kleine pas links, een grote pas rechts, een aansluitpas links bij rechts en een sprong (de timing is als bij de aanval, evenals het naar achteren brengen en opzwaaien van de armen)
  • Sla tegen de bal (raak de bal een fractie vóór het bereiken van de maximale spronghoogte), dit om het topspineffect in de baan van de bal te behouden. Wordt de bal geraakt als de speler reeds dalende is, zal er een contra effect ontstaan (achterwaartse rotatie) hierdoor zal de bal langer zweven en eerder uitgeslagen worden.
  • Twee spelers gooien over grote afstand tennisballen naar elkaar toe - let op de juiste uitvoering. Wanneer beide de bal vangen krijgen ze een punt.
  • Alle spelers krijgen een bal, die zij via de grond tegen de muur slaan:
    • links uitstappen, als je rechts slaat;

  • hand open;
  • linkerschouder voor;
  • elleboog boven oor;
  • rotatie vanuit de heupen;
  • gooi de bal met twee handen voor de slagarm;
  • ritme links uitstappen, daarna rechts-links (wanneer je de rechtervoet naar voren plaatst, de bal opgooien) en dan links-rechts-links (nabootsen aansluitpas).
  • Probeer een serie te maken via de muur.
  • Twee spelers slaan om de beurt de bal via de grond tegen de muur.
  • Speel volleysquash: 2 spelers in een vak voor de muur. Zij kunnen een punt scoren door via de grond de bal tegen de muur te slaan waar de andere speler dan niet bij kan.
  • Spelers staan tegenover elkaar met een net ertussen.
    1. via stuit onder het net door naar elkaar toe slaan;

  • via stuit over het net naar elkaar toe slaan;
  • over het net naar elkaar toe slaan;
  • drie maal bovenhands spelen en dan over het net naar elkaar toe slaan;
  • drie maal onderarms spelen en dan over het net naar elkaar toe slaan.
  • Setje één tegen één met verplicht serveren vanuit het veld.
  • Setje één tegen één met verplicht serveren vanachter de service-lijn.
Techniekplan 2003 > 2010
Speciaal voor onze trainers heeft Bob Jilesen deze clinic verzorgd thema deze keer was.
De pass (de bal onderhands naar de spelverdeler spelen) of gewoon onderhands spelen:

Methodiek van Onderarms spelen.
 
 
 
Accenten Onderarms spelen:
-         brede spreid-schredestand
-          schouders optrekken
-          polsen naar beneden en buiten draaien (platvorm)
-          handpakking: rechtshandige speler rechterhand onder,linkerhand erin linkshandige speler linkerhand onder, rechterhand erin
-          tot ellebogen armen tegen elkaar
-          armen recht en stil houden
-          bal op onderarm laten komen, niet op pols
-          bekken kantelen
-          bolle rug maken
-          schouders zijn voor de knieën
-          bal nastappen
-          Shuffel: steeds dezelfde voet voor houden met bewegen
-          Vlinderen: na iedere passbeweging handen loslaten
 
Accent training:
-          de kinderen moeten zoveel mogelijk balcontacten hebben, dus iedereen een bal of per 2 tal een bal
-          bij aanspelen of estafette vormen korte rijen maken zodat ze niet teveel stilstaan.
-          geef een korte uitleg en een voorbeeld.
-          let op 1 accent van onderarms spelen, doen ze het fout dan verbeteren, doen ze het goed compliment geven. Dan op volgend accent gaan letten.
 
 
 
WARMING UP: op muziek
 
Rennen door de zaal , als muziek stopt opdracht uitvoeren en doorgaan
-          met de billen op de grond
-          op de buik op de grond liggen
-          idem met een draai
-          high five maken
-          tussen benen van ander doorkruipen
-          bokspringen
-          standbeeld maken
In plaats van rennen kun je ook huppelen, kniehef, hielhef, zijwaarts, enz.
  

 

                                         Niveau 1 
iedereen 1 bal, elke oefening 10x achter elkaar
alle manieren van vangen zijn goed
-          bal omhoog gooien, laten stuiten en vangen
-          bal over je heen gooien en vangen
-          bal omhoog gooien, laten stuiten, rondje draaien en vangen
-          met rechts gooien en met 2 handen vangen
-          idem met links
-          bal op grond laten stuiten en dan vangen
-          idem met rechts en links
 
 
                             Niveau 2/3   
 
Iedereen 1 bal, elke oefening 10x achter elkaar
Bal gooien en vangen met rechte armen
-          bal over je heen gooien en vangen
-          bal over je heen gooien, rondje draaien, bal mag stuiten
-          met 2-tallen, 1 serveert over net, ander vangt.
Deze oefening variëren met ontvanger dichter bij net zetten of aan zijkant van het veld. Dit om het bewegen te stimuleren, let wel op dat ze de bal met rechte armen moeten vangen.
 
 
                             Niveau  eind 2/3
Aanleren toetsen, iedereen 1 bal.Eerste de handgrepen aanleren.
Oefenen met zowel rechtervoet als linkervoet voor.
-          goede hangreep, spreid-schredestand, benen buigen en strekken
gewicht is op voorste voet, hak achterste been is van de grond
            de armen maken een hoek van 90 graden t.o.v. de borst
-          goede handgreep, dan slaan op benen of billen, dan weer zo snel mogelijk juiste
handgreep
-          schema:
elke oefening 10x achter elkaar zonder de bal te laten vallen
1.      1x toetsen dan vangen
2.      2x toetsen dan vangen
3.      5x toetsen dan vangen, lukt dit dan paraaf geven
4.      10x toetsen dan vangen
5.      20x toetsen dan vangen, lukt dit dan weer paraaf
6.      zo ga je door tot 100x toetsen, dan vangen, lukt dit dan diploma geven
            let op goede techniek, roep bingo als je klaar bent met de oefening
            Als 90% van de groep 100x kan toetsen ga je door met volgend niveau.
 
 Niveau 3/4
Per 2-tal 1 bal, met net tussen 2-tal.
Let op accenten van onderarms passen.
-          opgooien, bal naar andere kant passen, andere kant vangt en doet hetzelfde
-          idem in wedstrijdvorm, welk 2-tal heeft het snelst 10x gevangen
-          idem vanachter lijn vertrekken, bal het veld in gooien en dan passen
(met verplaatsing)
            Stimuleren de bal richting het net te passen in plaats van omhoog.
 
details 2006 Verdediging Verplaatsen Wilhelm de Ruiter Klik hier
 
 
details 2006  Verdediging Uitgangshouding Wilhelm de Ruiter Klik hier
 
details 2006 Verdediging Verd. dicht bij het net Wilhem de Ruiter Klik hier
 
 
Iedereen 1 bal, korte rijen maken
De bal “brengen”.
Opbouw: 1. verplaatsen
                2. toetsen
                3. balbehandeling en verplaatsen
- van lijn naar lijn, onderarms passen, steeds een klein stukje naar voren lopen.
   Als nummer 1 klaar is start nummer 2 enz, nummer 1 sluit weer achteraan in rj
- eerst oefenen
- dan 7x achter elkaar goed, zonder de bal te laten vallen
- dan wie met de groep het eerst 15x kan zonder fouten
 

Korte rijen maken

Nrs 1 hebben geen bal, de anderen wel.
Nr 1 staat 2 meter voor nr 2.
Nr 2 toetst de bal 3x met beweging en speelt dan naar nr 1 toe
Nr 1 vangt af en sluit achteraan, nr 2 staat nu 2 meter voor nr 3, enz.
 
Variaties:
-          nr 1 mag vrij bewegen met vangen van de bal
-          nr 1 moet op lijn blijven staan
-          nr 2 beweegt met shuffel (rechtervoet voor)
-          idem me linkervoet voor
-          idem achteruit
-          idem zijwaarts
-          de bal toetsen en vlinderen (handen los na pass)
alle variaties kunnen ook in wedstrijdvorm, bv welke groep heeft het eerst 10 x goed zonder fout. Laat de kinderen hardop tellen.
Als 70% van de groep dit beheerst ga je door naar volgend niveau.
            
 
 
                                       Niveau 4/5 
Toetsen met handicap
Na iedere 5x toetsen een opdracht uitvoeren en dan verder toetsen, doortellen tot de 50.
-          de bal laten stuiteren 
-          de bal hoog spelen
-          in handen klappen voor en achter lichaam
-          klappen onder rechterknie/linkerknie of om en om
-          met rechterarm bal spelen/ idem linkerarm of om en om
-          bal pushen
-          met rechterknie op de grond/idem linkerknie of om en om
-          met rechterhand grond aantikken/idem linkerhand of om en om
-          de bal koppen
Als ze dit beheersen krijgen ze een paraafje.
-          De bal met de voet spelen
Als ze dit beheersen krijgen ze een paraafje
Dan beginnen ze vooraan maar naar iedere 4x toetsen opdracht uitvoeren.
Als ze dit rijtje beheersen met 3x toetsen dan krijgen ze een diploma.
 
 
                                   Niveau 5/6   Controleren
Trainer gooit bal aan, 2 groepen maken
Aan kant trainer iedereen een bal
Aan andere kant net 2 rijen maken zonder bal.
 
-          trainer gooit aan, bal 2x toetsen en vangen. Bal nar trainer brengen en achteraan sluiten.
-          idem in plaats van vangen bal passen naar netspeler
stroomlijn oefening (je loopt de bal na)
-          idem nu meteen naar netspeler passen
in plaats van aangooien kun je ook serveren
 
 Combinatie controleren – brengen -toetsen met handicap
 2 rijen maken
 Materiaal: 4 pylonen, 2 matten, 1 bank, 1 korf
 
De bal toetsen van pylon 1 naar pylon 2 (1 punt)
doorlopen naar mat (toetsen met bal)
bal over mat spelen en koprol maken, bal mag stuiten (2 punten)
doorlopen naar bank (toetsen met bal)
over bank stappen (3 punten)
doorlopen naar korf (toetsen met bal)
bal tegen korf passen = 4 punten
bal in korf passen = winnen!
 
Gaat de bal fout dan begin je opnieuw, heb je al punten gehaald tellen die wel mee.
Hardop punten tellen
Welke groep is het eerst bij de 15 punten
Nummer 2 mag gaan als nummer 1 met pylonen klaar is.
 
AANDACHTSPUNTEN T.A.V. DE ONDERARMSE TECHNIEK
A. het zo vroeg mogelijk beoordelen van de balbaan van de services
B. lichaam en voeten staan in juiste speelhouding, wel ontspannen staan en bewegen
C. de romp is deels ingedraaid naar het afspeelpunt
D. zijwaarts verplaatsen met shuffle-beweging, op deze wijze blijft het lichaam in juiste speelhouding
E. het speelmoment is ligt bij voorkeur voor het linkerbeen, tussen knie en heuphoogte
F. armen wijzen naar voren-beneden onder een hoek van 45 graden met de vloer
G. de armen worden na het verplaatsen vastgepakt, dus kort voor het spelen
H. schouders zijn op moment van spelen omhoog
I. kort en hard balcontact moet worden voorkomen, de bal moet actief gestuurd worden
Basis
  • Laag en op je voorvoeten!
  • Voeten uit elkaar, handen losjes boven de knieën met de palmen naar het plafond
  • Voeten moeten op ongeveer schouder breedte staan
  • Knieën zijn gebogen en de voeten staan iets naar binnen gericht, hierdoor ga je vanzelf op je voorvoeten staan
  • Armen zijn ontspannen
  • Hoofd voor de schouders, schouders voor de knie, knieën voor de voeten
  • Handen zijn boven de knieën, en knieën zijn binnen de voeten
  • Zorg er voor dat het lichaam stil staat op het moment dat je de bal gaat spelen
  • Je speelt de bal alsof je achter de bal aangaat
  • Je strekt je lichaam uit op het moment van spelen
  • Ruim en aan het net
  • Een pass moet ruimte en hoogte hebben, probeer de bal 6 meter hoog en 20-50 cm van het net te laten neer komen
  • Dit geeft de spelverdeler tijd om onder de bal te komen.
                                         
We vervolgen onze artikelenserie over technieken. In het vorige nummers stond iets over lenigheid en de verdediging, in dit nummer komt de pass aan bod. Dit keer ontlenen we de informatie weer aan het NVS Teamboek voor de C-jeugd. 

Het begint ook nu weer met het kijken naar de bal en vooral het inschatten van de balbaan. De bal is over een lange afstand onderweg dus hoe eerder je weet hoe de baan zal verlopen hoe beter je deze kunt inschatten.

Je verplaatst je naar de positie die het gunstigst is om de pass te geven. Bedenk daarbij dat je het makkelijkst een pass geeft als je deze op heuphoogte speelt en niet te ver opzij hoeft te reiken.

   

De verplaatsing naar de plek waar je de bal gaat spelen moet snel en efficiënt gebeuren, zorg dat je op het moment van spelen niet meer loopt. Je zoekt de balbaan op met de onderarmen bij elkaar en iets gebogen. Belangrijk is dat je die onderarmen niet te vroeg strak aanspant! De bal springt dan zomaar weg.

We gaan ervan uit dat je de bal rechts van het midden aan het net wil brengen. Daarbij onderscheiden we drie mogelijkheden:
  1. Je neemt de bal links van je lichaam: stap met je rechtervoet naar voren.
  2. Je neemt de bal recht voor je lichaam: houd beide voeten in een licht gespreide stand.
  3. Je neemt de bal rechts van je lichaam: stap met je linker voet naar voren.

In het eerste geval moet je de linkerschouder hoger hebben dan de rechter terwijl je de bal speelt. De onderarmen vormen een vlak waarmee je de bal in de gewenste richting stuurt: in een ruime boog in de richting van de spelverdeler. Ook nu geldt hoe harder de service hoe meer je de onderarmen moet ontspannen.

In het tweede geval hurk je iets door zodat je de balbaan goed onderschept. Ook nu moet je met de onderarmen als vlak sturen, zodat de bal ook nu in een ruime boog in de richting van de spelverdeler gaat, maar er is niet zon groot verschil in de schouderhoogte nodig. Deze techniek gebruik je alleen als je geen keus meer kunt maken tussen de bal rechts of links van je lichaam spelen.

In het derde geval moet je de rechter schouder iets hoger hebben dan de linker. De onderarmen vormen een vlak waarmee je de bal in de gewenste richting stuurt: in een ruime boog in de de richting van de spelverdeler. Ook nu geldt hoe harder de service hoe meer je de onderarmen moet ontspannen.

Belangrijk is de beweging die op het ontvangen volgt, het sturen zelf dus. Eén been bevindt zich achter: het strekbeen en één been bevindt zich voor: het standbeen. Stap vlak voor het spelen van de bal eerst in met het standbeen en gebruik het strekbeen om de na beweging goed uit te voeren. De armen bevinden zich onder een bijna rechte hoek met je bovenlichaam, zodat het echt lekker overdreven lijkt. Dan leer je pas de goede techniek aan. Je moet het opvatten als de bal echt opdienen zoals bij een dienblad.
De verdediging
Het principe bij verdedigen is: Hoeveel te lager je de armen hebt, des te langer is de weg die de bal moet afleggen om op je armen te komen, des te meer tijd je hebt om te reageren.Verder moet je zorgen, dat je zowel snel naar voren, als naar achteren of naar links of rechts kunt bewegen. Het beste kun je hierom één been voor het andere zetten en de knieën licht buigen. Ook is het b.v. beter om, wanneer je de juiste verdedigings-positie kunt anticiperen, op één knie te gaan steunen, dan zoals men vaak kan zien: wijdbeens met gestrekte knieën en de romp een beetje voorover gebogen. Dit kenmerkt vaak de luie speler, of de speler met conditiegebrek.
    DE TIEN GEBODEN BIJ JEUGDVOLLEYBAL
  1. Geen volwassen training geven aan jeugd, maar leeftijdsgebonden trainingen
  2. Een goede techniek is de beste tactiek
  3. Geen filevorming op de training, maar dynamisch bezig zijn,gebruik het lengte net in de zaal.
  4. Nooit met twee maten meten op een jeugdtraining
  5. Geef als trainer in alle opzichten het juiste voorbeeld
  6. In iedere training moet PAL zitten;
P- plezier
A- aandacht
L- leren
  1. De training is voor de trainer, de wedstrijd voor de speelsters
  2. Gebruik positief taalgebruik, scheld niet, dit geldt ook voor je speelsters
  3. Een goede oefening te vaak doen, bestaat niet
  4. Laat kinderen altijd hun goede acties tellen
 
 
De hieronder beschreven oefenstof is van algemene aard. Dat wil zeggen dat je de oefeningen moet aanpassen voor jouw trainingsgroep!
  1. ONDERARMSE TECHNIEK
    ACCENT: EERSTE BALCONTACT MET HET TOTALE BEWEGINGSVERLOOP
    • stilstaand de juiste uitgangshouding vinden
    • in uitgangshouding met rechtervoet voor en de handen bij de linkerheup, schuifelend door het veld
    • uitgangshouding, de één drukt de bal bij de ander op de onderarmen terwijl die vanuit de benen strekt en de bal omhoog duwt
    • aangegooide bal wegspelen (A gooit aan, B speelt terug)
    • in een driehoek rond spelen (onder een hoek)
    • in twee groepjes overspelen en na het spelen in de andere groep aansluiten  
ACCENT: NA LOPEN OP DE GOEDE PLAATS TOT STILSTAND KOMEN EN OP HET JUISTE MOMENT SPELEN (BALBAANBEOORDELING EN TIMING)
  • - A staat aan het net, gooit de eerste bal kort, B loopt in en speelt onderarms terug, verplaatst achterwaarts en A gooit lange bal, B speelt onderarms terug
  • - De trainer gooit aan, de speelsters staan op een achterveldpositie, een afvangster op de spelverdeelstersplaats. De speelsters die in het achterveld staan passen de bal naar de afvangster. Na je pass ga je afvangen, na afvangen bal in de bak en passen.
  • - Idem als de vorige oefening maar de trainer staat achter het net
  •  
Onderdeel:
verdedigen
Niveau:
jeugd, beginners, gevorderden
Aantal spelers:
teams van drie
Doel van de oefening:
Naast het onder controle krijgen van lastig verdedigbare ballen, wordt er ook getraind op het telkens klaar staan en het vasthouden van de concentratie.
Uitleg, verloop van de oefening:
De spelers worden opgedeeld in groepjes van drie. Één van de drietallen begint in het veld en staat klaar om het achterveld te verdedigen. De trainer staat bij het midden van het net in hetzelfde veld. De andere drietallen wachten buiten het veld. De trainer begint met makkelijke ballen naar het drietal te spelen, de spelers spelen de bal met een ruime boog terug naar de trainer. De trainer speelt of slaat de ballen steeds moeilijker, totdat een speler een fout maakt. Op dat moment wordt het drietal gewisseld en is een ander drietal aan de beurt.
Opmerkingen, variaties:
Het is in de eerste plaats van belang dat de bal van de grond gehouden wordt, maar daarnaast ook dat de bal nauwkeurig wordt teruggespeeld naar de trainer. De trainer moet daarom op zijn plek blijven staan en niet meer dan één of twee passen hoeven zetten om bij de bal te komen. Een verdedigde bal die niet in de buurt komt mag door het drietal een tweede keer gespeeld worden om de bal alsnog bij de trainer te krijgen. 
  •  
  •  
  •   

 

  
 
 
Techniekplan 2003 > 2010
  
Bovenhandse techniek
 

 

Doel van de techniek
 
De bovenhandse techniek wordt vaak toegepast     door de spelverdeelster, maar ook andere speelsters van het team moeten de kunst van de bovenhandse techniek beheersen. Deze techniek wordt namelijk   ook gebruikt om een goede pass te geven.
 
Een ieder uit het team moet bijvoorbeeld de set-up kunnen geven, dit kan gebeuren als de spelverdeelster de eerste bal heeft gespeeld,    de pass totaal verkeerd komt of als om taktische   redenen de spelverdeelster is gewisseld. De tegenwoordige libero moet ook beschikken over een goede bovenhandse techniek!
 
Bewegingsvoorstelling
 
*   Kijken naar de bal:
*   Start op de voorvoeten met het gezicht in      de richting waarin je wilt spelen
*   Uitgangshouding:
*   knieën zijn licht gebogen
*   voeten in schrede stand
*   handen op hoofdhoogte
 
 
 
*   Bal nadert:
*   knieën en ellebogen buigen
  
*   Stilstaan voor het moment van spelen, juist onder de bal
*   De bal spelen:
*   vorm een driehoek met de duimen en de wijsvinger,de handen raken elkaar niet
*   handen vormen een kommetje
 
*   Speelactie:
*   bij het spelen van de bal strekken de        armen en benen volledig
 
*   Vingers wijzen de bal na
*   Vervolg actie
 
 
Methodiek
 
De methodiek van de bovenhandse techniek      bestaat uit een aantal leerstappen
*   1e stap: uitgangshouding, kommetje, duimenstand
*   2e stap: voorgaande, hoek van de armen,na wijzen
 
 
 
*   3e stap: voorgaande, gebruik van de benen
*   4e stap: voorgaande, juiste voet voor
*   5e stap: voorgaande, verplaatsing
*   6e stap: voorgaande, verzwarende omstandigheden
 
 
 

 

*   De bal wordt gespeeld met de palmen van de handen.
*   De duimen staan naar voren tijdens het spelen.
*   Gezicht is gericht op waar de bal vandaan komt en niet waar de bal heen moet.
spelmomenten

Amerikaans onderzoek wijst uit dat trainers die de meest gedifferentieerde
informatie geven de beste resultaten bereiken. Adrie werkt met 9 key-words
voor het aanleren van bovenhands. (Een key-word geeft een gedeelte van de
totaalbeweging weer,ook kun je via de key-words simpel fouten analyseren)

(Klik op de foto voor een grotere weergave van de key.)
  Driehoek.
In je handen zit een open driehoek
Gelijktijdig.
Je armen en benen strekken zich gelijktijdig.
Voor en boven. 
  De bal wordt altijd voor je voorhoofd en boven je hoofd gespeeld.
Kommetje
Met je handen vorm je als het ware een rond kommetje.
Nawijzen
Na het spelen wijzen de handen de bal na.
Neus
Vlak voor het spelen wijzen je duimen naar je neus, na het spelen
wijzen de duimen naar elkaar.

Schrede
Om goed in balans te staan is het belangrijk in schrede te staan, 
het maakt niet uit welke voet voor staat.

Spreid
Op het moment van wegspelen spreiden de vingers zich en breng je
spanning in je handen.

Strek
Op het moment van wegspelen moet je beide armen strekken.

 

 
 
 
Coördinatie, één van de belangrijkste pijlers van het volleybal
 
In de volleyballiteratuur is nauwelijks iets te vinden over lenigheid en coördinatie van volleybalsters, terwijl dit zoals hier ook boven staat één van de belangrijkste pijlers is van het volleybal.
Tot 21 jaar kunnen we met coördinatie bezig zijn, daarna is er weinig te veranderen.
 
Bij coördinatie is er sprake van een samenspel van aanspannen en ontspannen van spieren. Het belangrijkste is echter dat wij tijdens het trainen van coördinatieve vaardigheden alle gegevens opslaan. Hoe meer bewegingsindrukken kinderen opdoen, hoe gemakkelijker zij op latere leeftijd een link leggen naar deze bewegingen.
 
Als wij trainers tijdens trainingen bezig zijn met het aanleren van nieuwe technieken, dan moeten wij ons zelf afvragen: “hoe kunnen wij over het aanleren van een nieuwe techniek praten als een groot aantal volleybalsters problemen hebben met het inschatten van de balbaan.”
Het is daarom van het grootste belang dat op jeugdige leeftijd niet de techniek maar de omschreven problemen van de algemene bewegingsscholing zal moeten worden aangepakt. Hoe kan ik als trainer een speelster bovenhands of onderarms goed kunnen aanleren als de speelster niet instaan is een bal goed te kunnen gooien of vangen.
 
Iedere volleybalbeweging bestaat uit een aantal fases:
1e de uitgangspositie (het klaar staan)
2e de verplaatsing (bewegen naar de bal)
3e speelhouding (voorbereidende fase)
4e spelen van d bal (hoofdfase)
5e vervolgactie (eindfase)
 
In de praktijk zijn wij vaak bezig met de speelhouding en het spelen van de bal. Dit is voornamelijk technische scholing. Een voorwaarde om de bal goed te kunnen spelen is dat de uitgangspositie en de verplaatsing goed moet zijn uitgevoerd.
Het is dus van belang de jeugdspeelster als uitgangspunt te nemen en coördinatie, inschatten balbaan en verplaatsingssnelheid te verbeteren.
 
 
                                        Oefenvormen
*     Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat het trainen van coördinatievermogen d.m.v. allerlei oefenvormen voorafgaat door een goede warming-up.
*     Er moet vooruitgang gemaakt kunnen worden, d.w.z. dat de oefeningen van makkelijk naar moeilijk gaan.
*     De speelster moet optimaal geconcentreerd en gemotiveerd zijn, zij moeten niet vermoeid aan de oefenvormen beginnen.
*     De kans op succes moet aanwezig zijn.
*     Diverse oefeningen kunnen verschillende accenten hebben
*     Oefenvormen met rollende en aangegooide ballen hebben als doel het inschatten van de balbaan, de coördinatie en links/rechts besef
*     Oefenvormen met tweetallen hebben bovendien als doel het samenwerken te bevorderen.
*     Oefenvormen die dubbelzijdig moeten worden uitgevoerd, dus links en rechts, oefenen we het lichaamsbesef.
 
Ten slotte, een ieder die jeugd traint tot de 21 jaar heeft de verplichting om de jeugd coördinatieve-vormen aan te bieden, dit om de jeugd bewegingsindrukken te laten opdoen die ze in de toekomst hard nodig hebben in het moderne volleybal. Dit hedendaagse volleybal vraagt steeds meer om flexibiliteit en noodaanpassingen (les noodtechnieken).
 
 
Coördinatie oefeningen
 
 
Eén bal per speler
*     Dribbel op de plaats met de rechterhand en daarna met de linkerhand
 
*     Dribbel op de plaats en ga vervolgens al dribbelend naar kniezit, dit uitvoeren met links en rechts
 
*     Dribbel op de plaats en ga vervolgens al dribbelend naar ruglig, ook weer met links en rechts
 
*     Zittend de bal om je heen rollen
 
*     De bal liggend onder je door rollen
 
*     Bal liggend tussen de voeten klemmen en 180 graden draaien en bal op de grond leggen
 
*     Bal opgooien en achter je rug vangen
 
*     Bal achter de rug opgooien en voor je vangen
 
*     Bal tussen de voeten klemmen, “opgooien” en vangen
 
*     Dribbel en verplaats je kris kras door de zaal
 
*     Dribbel en verplaats je kris kras door de zaal en probeer tijdens het dribbelen zoveel mogelijk linten die iedere speelster in de broekband heeft gestopt te verzamelen.
 
*     Dribbel en verplaats je kris kras door de zaal en probeer tijdens het dribbelen de bal bij de ander weg te slaan.
 
*     Spreidstand en dribbel in achtvorm om de voeten
 
*     Spreidstand pak de bal ongeveer 20cm boven de vloer tussen de voeten met twee handen vast (rechterhand voorlangs en linker achterlangs). Laat de bal éénmaal stuiten en wissel nu snel de handen (linke voorlangs en rechter achterlangs).
 
*     Als voorgaande oefening maar nu zonder stuit
 
*     Staan dribbelen op de plaats, maak een hoge stuit, draai 360 graden en vervolg dribbelen
 
*     Bal opgooien en loop er zoveel mogelijk onderdoor
 
*     Bal door de benen opgooien en vervolgens vangen
 
*     Bal opgooien en laten stuiten op je tenen, schouder, rug of hoofd
 
*     Bal opgooien en zoveel mogelijk in de handen klappen
 
*     Vanuit stand de bal omhoog gooien en vervolgens met je rechtervoet en stap naar voren maken en met je linkerknie de vloer raken. De rechterhand gaat via de buitenkant onder je rechterbeen door en je vangt de bal met je rechterhand (tussen de knieën)
Dit ook met links
 
*     Idem als voorgaande oefening, maar nu de bal iets voor je gooien, zodat je moet verplaatsen.
 
*     Vanuit stand de bal omhoog gooien en vervolgens met je rechtervoet en stap naar voren maken en met je linkerknie de vloer raken. De linkerhand gaat nu onder het been door en je vangt da bal bij je rechterknie (buitenzijde van het been)
Dit ook met linkerbeen voor.
 
*     Idem als voorgaande oefening, maar nu de bal iets voor je gooien, zodat je moet verplaatsen.
 
*     Rollende bal inhalen en deze stoppen met linker of rechterhand, de spelers mogen pas vertrekken als de bal de driemeterlijn is gepasseerd.
 
*     Idem maar nu de bal onder de linker of rechtervoet stoppen
 
*     Idem maar nu de bal tegen de linker of rechtervoet stoppen
 
*     Idem maar nu de bal in kniezit tegen houden
 
*     Idem maar nu de bal in laagzit tegen houden
 
*     Idem maar nu de bal in buiklig tegen houden
 
*     Idem maar nu de bal stoppen als je op je bips zit
 
*     Idem maar nu eerst om de bal heen lopen en dan stoppen
 
 
Twee ballen per tweetal
*     Speler 1 gooit de bal omhoog, waar na hij direct een bal krijgt aangegeven op heuphoogte van speler 2. Hij cirkelt 360 graden om zijn heup en geeft de bal terug aan speler 2, waarna hij de bal die omhoog is gegooid weer vangt. Dit kan ook eventueel met een stuit.
 
*     Speler 1 gooit de bal omhoog, waar na hij direct een bal tussen z’n knieën krijgt van speler 2. Hij geeft deze bal met twee handen over zijn hoofd terug aan speler 2. Vervolgens vangt hij de omgegooide bal. Ook dit kan eventueel met stuit.
 
*     Speler 1 gooit de bal omhoog en krijgt vervolgens van speler 2 een bal van achteren aangegeven boven zijn hoofd, waar na hij de bal tussen de knieën terug geeft. Vervolgens vangt hij de bal die hij heeft opgegooid. Dit kan ook eventueel met een stuit.
 
*     Twee spelers staan met hun gezicht naar elkaar toe, ongeveer 4 a 5 meter uit elkaar. Speler 1 trapt, rolt of gooit zijn bal naar speler 2. Speler 2 gooit zijn bal omhoog en trapt, rolt of gooit de bal van speler 1 weer terug en vangt zijn eigen opgegooide bal.
 
*     Twee spelers staan met hun gezicht naar elkaar toe, ongeveer 4 a 5 meter uit elkaar. Speler 1 werpt in stuit de bal naar speler, die zijn bal omhoog gooit. Speler 2 vangt de bal van speler 1, draait 180 graden en gooit de bal (tussen de benen) weer terug naar speler 1, vervolgens vangt hij zijn eigen bal.
 
*     Twee spelers staan met hun gezicht naar elkaar toe, ongeveer 4 a 5 meter uit elkaar. Speler 1 werpt in stuit de bal naar speler, Speler 1 roept 1, 2 of 3.
1 = cirkel de aangegooide bal om je linkerbeen vervolgens naar de overzijde gooien
2 = cirkel de aangegooide bal om je rechterbeen vervolgens naar de overzijde gooien
3 = 180 graden draaien en de bal tussen je benen naar overzijde gooien
Na één van de actie vangt speler 2 zijn eigen opgegooide bal
 
 
Eén bal per tweetal
*     Speler 1 gooit de bal in een hoge boog naar speler 2, speler 1 roept na het gooien 1 of 2. 1 betekent voor speler 2 vangen met de linkerhand en 1 betekent voor speler 2 vangen met de rechterhand. Speler 1 moet steeds later gaan roepen.
 
*     Idem als voorgaande maar nu betekent 1 met links vangen en linkervoet voor, 2 betekent rechts vangen en rechtervoet voor.
 
*     Speler 1 gooit de bal recht omhoog, vervolgens draait hij z’n eigen om en kijkt naar speler 2 die één of twee aangeeft. Eén betekent vangen met links en twee vangen met rechts.
 
*     Idem maar nu betekent één met links vangen en met linkervoet naar voren, en twee betekent met rechts vangen en met rechtervoet voor.
 
*     Speler 1 gooit de bal in een boog over speler 2 die naar de bal rent. Vervolgens roept speler 1, één of twee, waarna speler 2 met de linkerhand de bal vangt(1) of met de rechterhand(2).
 
*     Als voorgaand allen bij één met links vangen en linkervoet voor, bij twee met rechts vangen en rechtervoet voor.
 
*     Als voorgaande oefening, doch nu staat speler 2 met de rug naar speler 1 toe. Speler 1 roept nu niet, maar steekt 1 of 2 vingers omhoog, waardoor speler 2 eerst achterom moet kijken. De spelers kunnen ook eerst zijwaarts verplaatsen en daarna pas voorwaarts.

Deze informatie is mede mogelijk gemaakt door van Remko Kenter van Sliedrecht sport , onze dank hiervoor.
De NVVO wenst u/je succes bij het geven van trainingen met behulp deze oefeningen.
  Datum Soort oefening Accent Auteur Beschrijving
details 9-1-2007 Aanvalsopbouw Transitiespel Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 9-1-2007 Serveren Concentratie Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 30-12-2006 Teamtraining Concentratie Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 18-12-2006 Teamtraining Aanvalsopbouw Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 14-12-2006 Aanvalsopbouw Libero en Spelverdeler Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 5-12-2006 Teamtraining Scoren Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 27-11-2006 Complex Libero Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 20-11-2006 Serveren Concentratie Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 13-11-2006 Verdediging Verplaatsen Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 6-11-2006 Complexoefening pass en spelverdelen Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 30-10-2006 Blokkeren Uitgangshouding Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 23-10-2006 Aanval en verdediging Communicatie Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 16-10-2006 Verdediging Uitgangshouding Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 15-10-2006 Complexoefening Aanvalsopbouw Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 2-10-2006 Aanvalsopbouw passer - aanvaller Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 26-9-2006 Serveren Aanvalsslag Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 18-9-2006 Aanvalsopbouw Penetratie Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 11-9-2006 Aanvalsopbouw Penetratie Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 23-8-2006 Complex oefening Aanvalsopbouw Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 22-8-2006 Aanvalsopbouw Passer / aanvaller Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 21-8-2006 Opslag & Pass Communiceren Wilhelm de Ruiter Klik hier
details 20-8-2006 Verdediging Verd. dicht bij het net Wilhem de Ruiter Klik hier

 

De oefeningen zijn omgezet naar PDF formaat
Indien je dit niet kunt lezen klik dan hier om Adobe Reader te kunnen downloaden.
( NB: bedenk even of u de andere Adobe producten ook mee wilt downloaden, zo niet dan die even uitvinken ) 

 

 

 

 

         De Aanval        
Zorg er bij het aanvallen altijd voor, dat je achter de bal blijft.
Dit wil zeggen: Op het moment van slaan = de bal raken, bevindt deze zich tussen jouw en het net. Van even groot belang hierbij is, om op dezelfde plaats neer te komen, als waar je hebt afgezet, spring je bijv. naar voren, dan is de kans erg groot, dat je op het moment van de bal raken, toch weer voorbij de bal bent en deze achter je hebt op het moment van slaan.
Het gevolg hiervan is meestal dat de bal wordt uitgeslagen, of anders is de kracht dermate gereduceerd, dat de aanval gemakkelijk verdedigd kan worden. Ook het ontstaan van enkelblessures is vaak een gevolg van niet op dezelfde plaats neerkomen als waar je hebt afgezet.
Voor het verkrijgen van voldoende topspin in je aanvalsslag, is het belangrijk de bal te raken, wanneer je lichaam nog juist stijgende is.
Topspin veroorzaakt een sneller dalend effect. Door tijdens trainingen evenwijdig aan het net, een beetje schuin achter de spelverdeler te gaan staan, kun je exact waarnemen, of een speler de bal raakt net voor of op het hoogste punt, dan wel reeds dalende is.
Wanneer je dalende bent krijgt de bal een achterwaarts effect, waardoor hij minder snel daalt en dus sneller uitgeslagen wordt.
Het spreekt vanzelf, dat bij training van de aanval, tevens training van het spelverdelen plaats vindt.
Smash

Éénhandige slag om een aanval mee af te ronden.

Techniek:
1. Wacht met aanlopen tot de set up gegeven is. Als de set up wordt gegeven loop je aan met je armen naar achter
2. Spring recht omhoog met een tweebenige afzet. Doe je armen omhoog. Blijf achter de bal.
3. Sla de bal op het hoogste punt naar de grond vanuit je pols. Bij de landing door je knieën gaan.

 
Basis
  • Aankomst en afzet met twee voeten
  • Beide armen gaan voorwaarts bij de afzet
  • Pijl en boog houding
  • Slap handje voor topspin bij het slaan
  • Bal voor de speler.
Valkuilen
  • Sprong met 1 voet
  • Bal wordt met de vuist geslagen
  • Tennis service arm beweging, een arm voorwaarts en de ander achterwaarts
  • Een van de grootste fouten die door meisjes wordt gemaakt (leeftijd 12-13 jaar) is dat ze hun slagarm niet naar achter halen (pijl en boog) zodat de versnelling die ze kunnen bewerkstelligen met hun slagarm veel kleiner is dan ze met een goede techniek zouden bereiken.
Spanboog
  • Voor de afzet gaat het bovenlichaam naar beneden met beide armen achter het lichaam
  • Tijdens de sprong worden de armen als hefboom gebruikt om hoger te komen
  • Buikspieren aanspannen en de armen naar voren bewegen (gooien)
  • Hierdoor ontstaat automatisch een pijl en boog houding. Rug naar achteren gebogen
  • Op het moment van loskomen gaat de slagarm naar achter het lichaam. Bovenarm op schouderhoogte en hand op oorhoogte boven het hoofd. Het bovenlichaam is gericht naar de spelverdeler
  • De bal wordt iets voor het lichaam geraakt en zo hoog mogelijk iets voor en boven de slagschouder.
Aanloop
  • Rechts - Links - Afmaken (rechtshandig)
  • Links - Rechts - Afmaken (linkshandig)
  • Drie of vier stappen aanloop is ook mogelijk maar de laatste stappen zijn altijd RLA of LRA. Het is belangrijk dat de eerste stap groot is en de laatste stap klein. De knieën zijn bij alle aanlopen gebogen.
Sprong
  • Spring vertikaal omhoog
  • Raak de bal op het hoogste punt van de sprong
  • Controleer de landingsplaats deze moet niet meer dan 20-30 centimeter van de plaats zijn waar de bal geraakt is. 
 
 
 
De aanval tips en oefeningen
·         De kinderen lopen in één lijn door de zaal. Op een signaal van de trainer stoppen ze, maken ze een rempas en roepen rechts, links ( dit is voor de rechtshandige speler).
·         Hetzelfde als bij a. maar nu in een looppas en daarna in sprint.
·         De kinderen stellen zich 2 meter voor een zweedse bank op:
o        voor de rechtshandige speler geldt: via een rechts-links ritme springt de speler op de zweedse bank.
o        voor de linkshandige speler geldt: via een links-rechts ritme springt de speler op de zweedse bank.
·         Via een boksprong het links-rechts-links ritme oefenen.
·         Trainer gooit een bal aan, bij het net ongeveer een meter voor de speler (verticale timing), speler vangt de bal boven zijn hoofd, na een goede uitvoering van de aansluitpas.
·         Als de speler oefening e. goed kan uitvoeren, gooit de trainer de bal ongeveer vier meter voor de speler aan (horizontale timing)
·         Daarna gaan we weer een meter voor de speler aangooien, waarbij de speler de bal niet meer vangt, maar probeert te slaan.
·         Nu weer hetzelfde als bij f., maar de speler probeert ook nu de bal weer te slaan (horizontale timing).
·         Extra oefening: indien het de speler niet lukt om een koppeling te maken tussen de aansluitpas en de slagtechniek, dan is het raadzaam om de spelers veel met tennisballen te laten gooien terwijl zij de aansluitpas uitvoeren.
Slagtechniek ( ook service )
·         Twee spelers gooien over grote afstand tennisballen naar elkaar toe - let op de juiste uitvoering. Wanneer beide de bal vangen krijgen ze een punt.
·         Alle spelers krijgen een bal, die zij via de grond tegen de muur slaan:
o        links uitstappen, als je rechts slaat;
o        hand open;
o        linkerschouder voor;
o        elleboog boven oor;
o        rotatie vanuit de heupen;
o        gooi de bal met twee handen voor de slagarm;
o        ritme links uitstappen, daarna rechts-links (wanneer je de rechtervoet naar voren plaatst, de bal opgooien) en dan links-rechts-links (nabootsen aansluitpas).
·         Probeer een serie te maken via de muur.
·         Twee spelers slaan om de beurt de bal via de grond tegen de muur.
·         Speel volleysquash: 2 spelers in een vak voor de muur. Zij kunnen een punt scoren door via de grond de bal tegen de muur te slaan waar de andere speler dan niet bij kan.
·         Spelers staan tegenover elkaar met een net ertussen.
1.                via stuit onder het net door naar elkaar toe slaan;
2.                via stuit over het net naar elkaar toe slaan;
3.                over het net naar elkaar toe slaan;
4.                drie maal bovenhands spelen en dan over het net naar elkaar toe slaan;
5.                drie maal onderarms spelen en dan over het net naar elkaar toe slaan.
·         Setje één tegen één met verplicht serveren vanuit het veld.
·         Setje één tegen één met verplicht serveren vanachter de service-lijn. 
                         Aanval
Basis

 
Aankomst en afzet met twee voeten
 
Beide armen gaan voorwaarts bij de afzet
 
Pijl en boog houding
 
Slap handje voor topspin bij het slaan
 
Bal voor de speler.

Fouten

 
Sprong met 1 voet
 
Bal wordt met de vuist geslagen
 
Tennis service arm beweging, een arm voorwaarts en de ander achterwaarts
 
Een van de grootste fouten die door meisjes wordt gemaakt (leeftijd 12-13 jaar) is dat ze hun slagarm niet naar achter halen (pijl en boog) zodat de versnelling die ze kunnen bewerkstelligen met hun slagarm veel kleiner is dan ze met de goede techniek zouden bereiken.

Pijl en boog

 
Voor de afzet gaat het bovenlichaam naar beneden met beide armen achter het lichaam
 
Tijdens de sprong worden de armen als hefboom gebruikt om hoger te komen
 
Buikspieren aanspannen en de armen naar voren bewegen (gooien)
 
Hierdoor ontstaat automatisch een pijl en boog houding. Rug naar achteren gebogen
 
Op het moment van loskomen gaat de slagarm naar achter het lichaam. Bovenarm op schouderhoogte en hand op oorhoogte boven het hoofd. Het bovenlichaam is gericht naar de spelverdeler
 
De bal wordt iets voor het lichaam geraakt en zo hoog mogelijk iets voor en boven de slagschouder.

Aanloop

 
Rechts – Links - Afmaken (rechtshandig)
 
Links – Rechts - Afmaken (linkshandig)
 
Drie of vier stappen aanloop is ook mogelijk maar de laatste stappen zijn altijd RLA of LRA. Het is belangrijk dat de eerste stap groot is en de laatste stap klein. De knieën zijn bij alle aanlopen gebogen.

Sprong

 
Spring vertikaal omhoog
 
Raak de bal op het hoogste punt van de sprong
 
Controleer de landingsplaats deze moet niet meer dan 20-30 centimeter van de plaats zijn waar de bal geraakt is.

 
Aanvals combinaties
Het voordeel van 6-2 is dat je team altijd 3 aanvallers heeft, hiermee kun je altijd snelle aanvallen spelen terwijl je ook een aanvaller voor een langzame aanval overhoudt. Hierdoor heeft de spelverdeler drie opties:
1. De eerste aanvaller, meestal de middenspeler, krijgt een snelle set-up nabij de spelverdeler.
2. De tweede of combinatieaanvaller, rechts buiten, krijgt een combinatie set-up in de buurt van de middenspeler of rechts buiten.
3. De derde aanvaller staat links voor, deze ontvangt een langzame bal op buiten.
Snelle aanvallen en combinaties hebben twee functies. De snelle aanvallen kunnen het blok van de tegenstander verrassen. Dit voordeel is snel tenietgedaan als de tegenstander door heeft wat er gaat gebeuren. De tweede en meest belangrijke is dat snelle aanvaller de blokkeerders vasthoudt, hierdoor is er meer ruimte aan het net.
Er zijn 3 basis snelle aanvallen, "een", "eenendertig" en achter. De combinatie aanvallen zijn "twee", "tweeëndertig" en "buitenachter".
Combinatie aanvallen zijn het meeste effectief als ze worden gebruikt in samenwerking met een snelle aanval. Als een blokkeerder begint te anticiperen op een snelle aanval, vergeet hij meestal wat de andere aanvallers doen en staat vaak in de weg van de andere blokkeerders. Combinatie aanvallen zijn er voor om voordeel te halen uit het verwachtingspatroon voor een snelle aanval, de snelle aanvaller zet een blokkeerder vast, zodat een andere aanvaller een vrij net heeft.
Voordat je naar een paar voorbeelden gaat moet je rekening houden met de volgende regels voor het spelen van combinaties:
1. Het belangrijkste van combinaties spelen is het hebben van balcontrole. Als je een slechte pass hebt of een slechte free ball kun je niks doen.
2. De eerste aanvaller (de snelle bal) roept/vraagt om de bal. Dit trekt niet alleen blokkeerders naar hem toe, maar helpt ook de spelverdeler om de speler te lokaliseren.
3. De spelverdeler moet de aanvallen afroepen voor elke service Als er geserveerd wordt, wordt er een combinatie geroepen, spreek ook de combinatie af voor een free ball.
4. Als de tegenstander serveert, spreek dan twee combinaties af, één voor een normale service en één voor de free ball situatie. Dit lijkt moeilijk in het begin en zal de nodige misverstanden veroorzaken. Veel oefenen zal dit verbeteren en je team wordt aanvallend sterker.
5. Roep combinaties die een aanvaller doen oversteken. In de meeste verdedigende schema’s volgt een blokkeerder een aanvaller en een oversteek veroorzaakt een zogenaamde "pick" (basketbal term voor het blokkeren van een verdediger) die twee blokkeerders op elkaar laat botsen. Als er geen oversteek is wordt de baan van de blokkeerder makkelijker.
6. Elke aanval is ontworpen om het net te openen voor de tweede aanvaller, hou daarom de tweede bal dicht bij het zodat deze naar beneden geslagen kan worden. Als de tweede aanvaller een aantal ballen heeft gehad, valt meestal het gat voor de eerste aanvaller en vice versa.
7. Als er 'aanvallen' geroepen worden moet de spelverdeler met twee dingen rekening houden. 1) Geef de tweede tempo aanval aan een aanvaller de lekker staat te spelen/aan te vallen. 2) Als je aanvallers vaste posities hebben roep dan een service ontvangst combinatie die de aanvaller op de goede plek krijgt.
8. De spelverdeler moet met de aanvallers praten tijdens de service en de rally en zeker bij free balls.
9. Wordt niet zelfverzekerd na een paar vaste combinaties, als een combinatie een aantal malen succesvol geweest is, beweegt de blokkering naar elke beweging.
10. De achterspelers moeten de combinaties kennen, om a) uit de weg/baan van de aanvaller te blijven en b) de aanvaller beter te kunnen uitverdedigen.
Met deze regels in gedachte kan je aanvallende combinaties spelen. De combinaties in de diagrammen vallen in drie verschillende categorieën:
1. Linkerkant combinaties, maakt gebruik van buiten- en middenaanvallers
2. Rechterkant combinaties, maakt gebruik van de aanvaller op rechts voor en midden.
3. Spelverdeler voor, maakt gebruik van buiten- en middenaanvallers.
Er zijn natuurlijk veel meer combinaties mogelijk. Onthou echter dat je moet proberen om combinaties te spelen die oversteken of lijken over te steken. Combinaties die puur op snelheid draaien of een snelle aanval bij de antenne scoren slecht, combinaties die niet oversteken maken het blokkeren niet moeilijk.
 
 

         Blokkering 
  
Ω 1 Netverdediging aspecten
Uitgaande van het individuele blok als basis voor een twee- of driemansblok, zijn de volgende aspecten van belang:
  1. Waar wordt het blok geplaatst
  2. Wanneer wordt het blok geplaatst
  3. Hoe wordt het blok geplaatst
Opm.: de plaatsbepaling geschiedt naar aanleiding van de actie van de aanvaller
 
De timing van de sprong van de blokkeerder wordt bepaald door:
  1. Balbaan, set-up
  2. Aanloop aanvalster
  3. Timing aanvalster
  4. Combinatie aanval
Blokposities
  1. Positie 4 (linksvoor); hier wordt vooral geblokkeerd op de set-up die de spelverdeelster van de tegenpartij achterover speelt. Maar ook de set-up op de driemeter op positie 1 kan door de blokkeerster voor haar rekening worden. genomen. Tevens ook op deze positie kan de doortikbal van de spelverdeelster worden tegengehouden.
  2. Positie 3 (midvoor); deze blokkeerster zal de snelle ballen (1e tempo) proberen te blokkeren. Tevens korte ballen in de nek van de spelverdeelsters zijn voor haar. Natuurlijk wordt er ook van deze blokkeerster verwacht dat zij de blokkeringen op de buitenposities aanvult tot een tweeblok.
  3. Positie 2 (rechtsvoor); deze speelster zal in de meeste gevallen de buitenaanvalster, qua blok, voor haar rekening nemen.
 
Bij het blokkeren, is het belangrijk, dat je op tijd bent met het plaatsen van het blok. Je moet zorgen er te zijn op het moment dat de aanvaller slaat. Bij een aanval aan het net, kun je door goed observeren van de tegenstander, ongeveer inschatten wanneer je moet springen.
Dit inschatten houdt in, dat je een "fractie" eerder dan de aanvaller de lucht in gaat.
Dit is de algemene, meest voorkomende regel.
Het spreekt van zelf dat je bij een aanval verder van het net, iets later opspringt. Ook is het soms afhankelijk van de techniek van de aanvaller, waar je in de loop van een wedstrijd wel achter komt - slaat iemand laat, of slaat iemand heel snel -. De richting waarin de aanvaller zal slaan, is vaak af te lezen aan de manier van aanlopen en verder: wat doet hij/zij meestal, of het vaakst.
Het wordt dan wel eens een gok, al naar gelang de kwaliteit van de aanvaller (een coach kan in dit soort gevallen zijn/haar onschatbare waarde bewijzen). De houding van de handen bij het blokkeren mag nooit naar buiten (het speelveld) gericht zijn.
Maak een zône-blok, waarbij er van wordt uitgegaan, dat een aanval een bepaalde plaats in het veld niet kan raken, omdat daar een blok voor zit.
De tegenstander wordt gedwongen de bal naast het blok te spelen, waar de verdediging er klaar voor staat, of over het blok tactisch te spelen, wat opgevangen wordt door altijd één speler achter het blok.
Basis
  • Sluiten en penetreren
  • Sluit het net af met de handen, vingers gespreid en duimen naar het plafond, ongeveer een balbreedte uit elkaar, armen uitgestrekt
  • Probeer altijd over het net te reiken (penetreren), je wil de bal pakken. Hou je schouders evenwijdig met het net.
De Sprong
  • Als je langs het net beweegt, spring horizontaal omhoog, je landt op dezelfde plaats
  • Hou je handen hoog
  • Gedurende de beweging langs het net hou je de handen hoog en de schouders recht.
Bewegen
Twee methoden:
  • shuffle, zijwaarts verplaatsen, de benen kruisen niet. Is de snelste methode.
  • cross-over, benen kruisen elkaar, geeft de meeste hoogte bij het blok.
Positie
Buiten, het blok wordt diagonaal of rechtdoor gezet. In de lagere klassen is het altijd een goede keuze om het blok diagonaal te zetten, diagonaal is een armlengte van de antenne.
Veel mensen kunnen slecht rechtdoor slaan en het is makkelijker voor de middenspeler om aan te sluiten. De buiten blokkeerder staat enigszins diagonaal aan het net. De voet aan de zijlijn staat ongeveer 10 cm voor de veldvoet. Hierdoor zal het blok enigszins diagonaal staan, zodat de bal die in het blok wordt geslagen naar het midden van het veld zal gaan.
Midden, voorzetten van blok in het midden (zie aanvallers), als de middenspeler een blok op buiten zet beweegt deze met een shuffle of cross-over. Zijn aandacht is gericht op de buitenblokkeerder, zijn taak is het blok te sluiten en gelijktijdig met de buitenblokkeerder te blokken.
 
 
Bewegingsvoorstelling

De tien belangrijkste stappen bij de techniekuitvoering zijn hieronder beschreven

 
  1. Uitgangspositie innemen:
    handen op hoofdhoogte
    knieën iets gebogen
    voeten op schouderbreedte
  2. kijken naar het veld van de tegenpartij
  3. kijken naar de pass en de set-up
  4. verplaatsen naar de plaats waar de set-up heen gaat d.m.v. een loopverplaatsing, voorlaatste lange pas met linker been (kruispas, zie afbeelding)
  5. kijken naar de buitenblokkeerder en positie kiezen naast de buitenblokkeerder
  6. samen tegelijk afzetten voor het blok
  7. de afzet van de blokkeerder
    - armen blijven op hoofdhoogte
  8. actieve armstrekking - benen (voeten) strekken naar voren (buikspieren aanspannen)
  9. Handen boven het net, vingers spreiden en aanspannen
  10. indien de bal in het spel blijft: klaarmaken voor een volgende speelactie
Opbouwschema
Het aanleren van techniek moet systematisch gebeuren. Onderstaand is een opbouwschema weergegeven, zoals dat binnen de NeVoBo wordt gebruikt.
Techniek:
BLOKKERING
  1. BALBEHANDELING
  2. VERPLAATSEN + BALBEHANDELING
    a) aansluitpassen
    b) kruispassen
    c) looptechniek
  3. VERPLAATSEN + BALBEHANDELING+ GERICHT SPELEN
    a) 2-blok op positie 2
    b) 2-blok op positie 4
  4. VERPLAATSEN + BALBEHANDELING+ GERICHT SPELEN
    a) wijde opstelling (buitenspelers bij de antenne)
    verplaatsen van buiten naar binnen
    b) gecentreerde opstelling (spelers staan rond positie 3)
    verplaatsen van binnen naar buiten
    c) keuze van het soort blok: zoneblok/aanvallend/remmend
  5. SPECIALISATIE SPELVERDELEN:
    a) blokkeren van aanval op positie 3
    b) blokkeren van diverse tempo’s van aanvallen
    c) blokkeren van combinaties

 

 
 
Aandachtspunten
  • Spring met de aanvaller mee
  • Hoe verder de aanvaller van het net is hoe later je springt
  • Let op de schouders
  • Als de schouders van de aanvaller draaien probeer je de handen daar naar te verplaatsen. Dit kan er voor zorgen dat het blok open gaat
  • Let op de hand van de aanvaller, als de hand van de aanvaller draait, beweeg je de handen in die richting
  • Kijk naar zijn ogen, daar waar de aanvaller naar kijkt is meestal een goede indicatie voor waar hij naar toe gaat slaan
  • Aanloop - Kom voor de aanvaller. De blokkeerder moet bewegen en het blok zetten in de aanloop van de aanvaller
  • Kijk naar de handen van de spelverdeler.
Bewegingsvoorstelling

De negen belangrijkste stappen bij de techniekuitvoering zijn hieronder beschreven

 
  1. uitgangspositie innemen:
    handen op hoofdhoogte
    knieën iets gebogen
    voeten op schouderbreedte
  2. kijken naar het veld van de tegenpartij
  3. kijken naar de pass en de set-up
  4. plaatsbepaling t.o.v. de bal
  5. kijken naar de aanvaller
  6. de afzet van de blokkeerder – met gebruikmaking van de benen
    - armen blijven op hoofdhoogte
  7. actieve armstrekking, bene (voeten) steken naar voren (buikspieren aanspannen)
  8. handen boven het net plaatsen – vingers van de handen spreiden en aanspannen
  9. indien de bal in het spel blijft: klaarmaken voor een volgende speelactie
Opbouwschema
Het aanleren van techniek moet systematisch gebeuren. Onderstaand is een opbouwschema weergegeven, zoals dat binnen de NeVoBo wordt gebruikt.
Techniek:
BLOKKERING
  1. BALBEHANDELING
  2. VERPLAATSEN + BALBEHANDELING
    a) aansluitpassen
    b) kruispassen
    c) looptechniek
  3. VERPLAATSEN + BALBEHANDELING + GERICHT SPELEN
    a) 2-blok op positie 2
    b) 2-blok op positie 4
  4. VERPLAATSEN + BALBEHANDELING+ GERICHT SPELEN
    a) wijde opstelling (buitenspelers bij de antenne) verplaatsen van buiten naar binnen
    b) gecentreerde opstelling (spelers staan rond positie 3) verplaatsen van binnen naar buiten
    c) keuze van het soort blok: zoneblok/aanvallend/remmend
  5. SPECIALISATIE SPELVERDELEN:
    a) blokkeren van aanval op positie 3
    b) blokkeren van diverse tempo’s van aanvallen
    c) blokkeren van combinaties

 

 
 
 
 
Uitleg over volleybaltechnieken + oefeningen.

Oefeningen voor de techniek    - Index -


Er zijn in totaal 29 oefeningen, die  over een 5-tal pagina''s zijn verdeeld, klik hiernaast op een van de hyperlinks, of op de gewenste serie uit de keuzelijst daaronder.
   

        
        (1-6)     (7-12)     (13-18)

          (19-24)     (25-29)

 

Het principe bij verdedigen is:  Hoeveel te lager je de armen hebt, des te langer is de weg die de bal moet afleggen om op je armen te komen, des te meer tijd heb je om te reageren.
Verder moet je zorgen, dat je zowel snel naar voren, als naar achteren of naar links of rechts kunt bewegen. Het beste kun je hierom zetten en de knie juiste verdedigings-positie kunt anticiperen, op zoals men vaak kan zien: wijdbeens met gestrekte knie voorover gebogen. Dit kenmerkt meestal de luie speler, of de speler met conditiegebrek.

Klik op de miniatuur-tekeningetjes om een vergroting te krijgen, klik op de "pijl terug" functie van je browser om terug te keren naar de pagina.

Verdediging - index
1 In de diagonaal met 3-, 4, of 5 tallen
2 Verdedigen/pass in de rally (1)
3 In een circuitje (1)
4 In stroomvorm
5 In combinatie met rally-pass (2)
6 Met 4-tallen
7 Als er precies 8 deelnemers zijn (meer kan ook)
8 Nog eentje met rally-pass (3)
9 Met vaste spelverdelers
10 Techniek met verplaatsen en verdedigen
11 In een circuitje (2)
12 In circuitje (3); aan beide kanten hetzelfde
13 In 2 groepen, in de diagonaal met bal volgen
14 Met 2 vaste aanspeelpunten (zie 18; =intensiever)
15 Met 3-tallen
16 Met 6-tallen (5 of 4 kan ook nog)
17 Met 6-tallen (soms 5; is wel harder werken)
18 Met 4-tallen (2) intensiever als oef.14)
19 Met gebruik van het net (1); met 5- of 6-tal
20 Met gebruik van het net (2); met 5- of 6-tal
21 Met gebruik van het net (3); met 3-tallen
22 Met gebruik van het net (4); met 4-tallen
23 Met gebruik van het net (5); met een 7-tal
24 Met gebruik van het net (6); met een 7-tal
25 Met gebruik van het net (7); met een 10-tal
26 Met gebruik van het net (8); in rally 5 <--> 5
27 Met gebruik van het net (9); + sancties
28 Met gebruik van het net (10); speelse vorm
29 Met gebruik van het net (11); aanval + blok
30 Pepperen met 3-tallen (1)
31 Pepperen met 3-tallen (2); verplaatsen vd sp.verd.
32 Pepperen met viertallen (32A)
33 Verdedigen + verplaatsen van de spelverdeler

 

 


 

 

LINKS

Waar je ook een hoop van kunt leren.

 

Onderarmse pass-techniek  

 

Het trainen van een jeugdteam

 

 6) Volleybalspeeltuin - Trainingsschema-1 (03-01-2003)

 

lessenreeks volleybalschool       < heel  veel oefeningen